Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0763

Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.001.702/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

[appellant] heeft zich tenslotte, met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 1995 (NJ 1996, 300), nog erop beroepen dat aan het begrip "instaan voor" niet de betekenis kan worden toegekend dat hij, [appellant], zelf aansprakelijk-heid heeft aanvaard voor betaling van de openstaande facturen. Het hof volgt hem hierin niet. Ook voor de betekenis van een begrip als hier aan de orde komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het begrip en de bepaling waarin het is gehanteerd, mochten toekennen, en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Naar 's hofs oordeel mocht FID, uitgaande van de bewoordingen waarin [appellant] zijn toezegging heeft gedaan, erop vertrouwen dat de toezegging daadwerkelijk betrekking had op het persoonlijk instaan van [appellant] voor voldoening van de openstaande facturen.


Uitspraak

Arrest d.d. 9 september 2008 Zaaknummer 107.001.702/01 (voorheen rolnummer 0700221) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats en -gemeente appellant], appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. P.R. van den Elst, voor wie heeft gepleit mr. M.B.W. Litjens, advocaat te Emmen, tegen 1. FID B.V., gevestigd te Emmen, 2. FID Personalleasing GmbH, gevestigd te Nordhorn (Duitsland), geïntimeerden, in eerste aanleg: eiseressen, hierna gezamenlijk (in enkelvoud) te noemen: FID, advocaat: mr. J.H. van der Meulen, voor wie heeft gepleit mr. J.H. Homveld, advocaat te Emmen. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op achtereenvolgens 27 april 2005, 23 november 2005 en 11 oktober 2006 door de rechtbank Assen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 27 december 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis d.d. 11 oktober 2006 met dagvaarding van FID tegen de zitting van 11 april 2007. De conclusie van de memorie van grieven (met producties) luidt: "(...) te vernietigen het vonnis gewezen tussen partijen op 11 oktober 2006 (zaak-/rolnummer 50342/HA ZA 05-104) door de rechtbank Assen en, opnieuw recht doende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden, bij arrest de vordering van geïntimeerden af te wijzen door hen daarin niet-ontvankelijk te verklaren danwel te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, alsmede haar arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren." FID heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, met als conclusie: "tot bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank te Assen d.d. 11 oktober 2006, zonodig onder verbetering of aanvulling van gronden, met veroordeling van appellant in de kosten van beide instanties." Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. [appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi nog een akte houdende overlegging producties genomen. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellant] heeft twee grieven opgeworpen. De beoordeling De vaststaande feiten 1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de feiten, zoals de rechtbank deze als vaststaand heeft weergegeven in rechtsoverweging 1. (1.1 t/m 1.5) in genoemd tussenvonnis van 23 november 2005. Daarom zal ook in hoger beroep van die feiten worden uitgegaan. De vordering en de beslissing in eerste aanleg 2. FID heeft [appellant] op grond van aansprakelijkheid als feitelijk bestuurder van Hout en Gevelbouw [appellant] B.V., dan wel op grond van gedane betalingstoezeggingen, gedagvaard en gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 27.347,84, respectievelijk € 8.916,85, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede van € 1.542,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten, kosten rechtens, waaronder begrepen de kosten van het beslag. 2.1 [appellant] heeft de vordering weersproken. 2.2 Na bij tussenvonnis van 27 april 2005 een comparitie van partijen te hebben bevolen, welke op 6 juni 2005 heeft plaats gehad, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 23 november 2005 FID opgedragen de grondslag van haar vordering te bewijzen. Vervolgens zijn op 16 februari 2006 en 24 maart 2006 getuigen gehoord. 2.3 Bij (eind)vonnis van 11 oktober 2006 waarvan beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat FID in het opgedragen bewijs is geslaagd en de vorderingen van FID, behoudens die ter zake van de buitengerechtelijke kosten, toegewezen. Met betrekking tot de grieven 3. Alhoewel het hoger beroep zich blijkens het petitum van de appeldagvaarding slechts richt tegen het eindvonnis van 11 oktober 2006, blijkt uit de memorie van grieven (bladzijde 2, punt 2) dat het appel eveneens is gericht tegen het tussen-vonnis van 23 november 2005. In zoverre is dat tussenvonnis dan ook in dit hoger beroep betrokken. Dat in de conclusie van de memorie van grieven niet tevens de vernietiging van het tussenvonnis is gevorderd, doet hieraan niet af. 4. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 5. FID heeft haar vorderingen gebaseerd op tweeërlei grondslag, te weten op 1) aansprakelijkheid van [appellant] als feitelijk bestuurder van [appellant] Hout en Gevelbouw B.V. en 2) de toezegging van [appellant] dat hij persoonlijk in zou staan voor betaling van die vorderingen. Het hof ziet aanleiding eerst de tweede grondslag van de vordering te beoordelen. 6. Ingevolge de door de rechtbank aan FID verstrekte bewijsopdracht in het tussenvonnis van 23 november 2005 zijn door FID vier getuigen voorgebracht, van wie drie - de getuigen [getuige 1, getuige 2 en getuige 3] - hebben verklaard omtrent hetgeen zij zelf uit de mond van [appellant] hebben vernomen ter zake van de toezegging van betaling van de openstaande facturen. 6.1 Zelfstandige heroverweging van al hetgeen deze drie in eerste aanleg aan de zijde van FID gehoorde getuigen - in onderlinge samenhang bezien - hebben verklaard, mede gelet op hetgeen in hoger beroep nog is aangevoerd, brengt het hof ertoe dat het oordeel van de rechtbank dient te worden overgenomen dat FID is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat [appellant] heeft toegezegd dat hij persoonlijk in zou staan voor betaling van de vorderingen, op de gronden als omschreven in overweging 2.6 van het beroepen eindvonnis. 6.2 Het hof neemt hierbij in aanmerking dat op grond van het bepaalde in art.164 lid 1 Rv ook de verklaring van de partijgetuige [getuige 2] aan het van FID verlangde bewijs bijdraagt, nu die verklaring geheel aansluit bij - en in die zin strekt ter bevestiging van - de verklaringen van de getuigen [getuige 1 en getuige 3]. 7. De door [appellant] in het kader van de contra-enquête als getuige afgelegde verklaring staat geheel op zichzelf en wordt op het essentiële punt niet door de verklaringen van de eveneens in contra-enquête gehoorde getuigen [getuige 4 en getuige 5] gedragen. Integendeel, ook uit de verklaring van de [getuige 5] kan worden afgeleid dat [appellant] voor wat betreft betaling van de openstaande facturen toezeggingen heeft gedaan. 7.1 Het bewijsaanbod van [appellant], voor zover dat erop neerkomt om de [getuige 5] nogmaals, in hoger beroep, als getuige te horen wordt gepasseerd, reeds omdat [appellant] daarbij niet heeft aangegeven dat deze getuige in hoger beroep meer of anders zal kunnen verklaren dan hij in eerste aanleg heeft gedaan. Voor het overige moet het door [appellant] in hoger beroep gedane bewijsaanbod als onvoldoende geconcretiseerd worden verworpen. 8. [appellant] heeft zich tenslotte, met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 1995 (NJ 1996, 300), nog erop beroepen dat aan het begrip "instaan voor" niet de betekenis kan worden toegekend dat hij, [appellant], zelf aansprakelijk-heid heeft aanvaard voor betaling van de openstaande facturen. Het hof volgt hem hierin niet. Ook voor de betekenis van een begrip als hier aan de orde komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het begrip en de bepaling waarin het is gehanteerd, mochten toekennen, en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Naar 's hofs oordeel mocht FID, uitgaande van de bewoordingen waarin [appellant] zijn toezegging heeft gedaan, erop vertrouwen dat de toezegging daadwerkelijk betrekking had op het persoonlijk instaan van [appellant] voor voldoening van de openstaande facturen. 9. De conclusie moet luiden dat de vorderingen van FID op de tweede grondslag toewijsbaar zijn. Hetgeen partijen met betrekking tot de eerste grondslag van de vorderingen over en weer hebben aangevoerd, ontbeert derhalve belang en behoeft geen verdere bespreking. Slotsom 10. De vonnissen van 23 november 2005 en 16 oktober 2006 waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (3 procespunten, tarief III). De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt de vonnissen van 23 november 2005 en 16 oktober 2006 waarvan beroep; veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van FID op € 1.090,-- aan verschotten en op € 3.474,-- aan salaris voor de procureur. Gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Overtoom, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag, 9 september 2008 in bijzijn van de griffier.